Hoofdinhoud

Daarover organiseerde Groene Cirkel Bijenlandschap op 12 januari een themabijeenkomst, met drie inspirerende sprekers.

 

Arjen Speksnjider van Naturalis en Hogeschool Leiden liet zien wat er mogelijk is met nieuwe techniek, zoals beeldherkenning, radar, geluidsopnames en cameramonitoring, geluidsmonitoring en eDNA-metingen. Bij die laatste wordt van elk verzameld monster een unieke DNA-code bepaald. Deze gegevens worden opgenomen in een wereldwijde databank en publiek beschikbaar gesteld. Inmiddels is ongeveer 74% van dieren, 69 % van planten en 49 % van schimmels hierin opgeslagen. Bijzonder hierbij is het gebruik van eDNA (environmental DNA). Deze methode detecteert DNA dat afkomstig is uit de omgeving, zoals water, bodem en lucht, en bestaat uit bijvoorbeeld huidcellen, ontlasting of pollen. Watermonsters worden gefilterd en leveren genetische ‘vingerafdrukken’ op van duizenden soorten tegelijk. Deze worden vervolgens vergeleken met de database. Naturalis wil hierbij een meetnetwerk opzetten door heel Nederland en duizenden monsters uit water, bodem en lucht te analyseren. Pilots lopen op dit moment met als voorbeeld de Leidse Expeditie Stadsnatuur.

Meer info over eDNA-tecchniek vind je hier:

Meer zien door te combineren: DNA in de lucht verrijkt monitoring biodiversiteit - Nature Today

 

Hesper Schutte van het Hoogheemraadschap van Rijnland vertelde dat het waterschap zich, naast droge voeten en schoon water, steeds meer richt op het versterken van biodiversiteit. Dit heeft geleid tot een monitoringsstrategie voor 2024–2030, waarin het volgen van effecten centraal staat. Samen met Naturalis is een nulsituatie vastgesteld op basis van waterplantenonderzoek. Het beheer richt zich op verschillende domeinen, zoals wateren, oevers, dijken, eigen terreinen en landschapselementen, met als uitgangspunt ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’. Via beleidsindicatoren wordt onderscheid gemaakt tussen vastgelegd beleid, gewenste effecten en daadwerkelijk bereikte effecten. Monitoring vindt onder andere plaats op eigen terreinen, waaronder rioolwaterzuiveringsinstallaties, met hulpmiddelen zoals de nectarindex, vegetatieopnamen en vlindertellingen. Voor dijken zijn pilots uitgevoerd, bijvoorbeeld met minder maaien en het afvoeren van maaisel. Hesper presenteerde het dilemma: hoeveel moet je investeren in monitoring, terwijl je dat geld ook aan beheer kunt uitgeven. Bijvoorbeeld: veel bloemen leidt tot veel insecten, maar er moet dan ook sprake zijn van een grote diversiteit aan bloemen. Je kunt volstaan met verschillende soorten bloemen tellen, in plaats van ook de insecten.

Meer over biodiversiteit bij het Hoogheemraadschap:

Planten en dieren - Rijnland

 

Zoë van Helvoirt vertelde over de monitoringmethoden van Beegrateful. Ze richt zich op monitoring van bestuivers, met een sterke focus op stedelijk gebied. De monitoring vindt plaats op locaties waar maatregelen zijn getroffen en richt zich zowel op bestuivers als op de bestuivervriendelijkheid van de omgeving. Dit resulteert in een score van E tot A. De bezetting van bijenhotels blijkt daarbij een goede indicator te zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving van bestuivers. Burgerparticipatie via citizen science vormt een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van BeeGrateful. Mensen zijn gemotiveerd om bij te dragen, vooral wanneer zij zelf leren, een eigen bijenhotel beheren en persoonlijk betrokken worden. Live trainingen blijken effectiever dan digitale communicatie. Citizen science wordt daarnaast succesvol toegepast bij groenbeheerders, wat leidt tot meer kennis en enthousiasme. Een nieuwe app ondersteunt en vereenvoudigt het monitoringsproces door automatische invoer, controle op basis van foto’s en koppeling met ObsIdentify voor soortidentificatie. Deelnemers volgen een meerjarig opleidingstraject van drie jaar.

Lees meer over de monitoring van Beegrateful:

Beegrateful