Hoofdinhoud

Voedsel en beschutting

Bos is voor weinig bijen een belangrijke biotoop, maar bosranden kunnen zeker wél van belang zijn. Daar groeien vaak bomen en struiken waarvan de bloesems in het voorjaar een belangrijke voedselbron vormen, zoals (in volgorde van bloei) wilgen, sleedoorn, gewone vogelkers, meidoorn en lijsterbes. In de vroege zomer zijn ook braamstruwelen in bosranden belangrijke nectar- en stuifmeelleveranciers. Ook worden sommige bomen en struiken op zonnige plaatsen in de bosrand gebruikt door sommige bijen om in te nestelen, zoals braam en vlier. Bossen hebben dus wel degelijk waarde voor bijen, maar vooral als er open plekken zijn, zodat zonnige bosranden ontstaan.

 

 

 

Inrichting en beheer

De breedte van een goede bosrand varieert tussen de 1 tot 1,5 maal de boomhoogte. In de pratijk is de breedte van de meeste bosranden tussen de 20 en 40 meter.

 

Er kan meer bosrand gecreëerd worden door deze niet recht te maken, maar ‘gekarteld’ of golvend. Door de bomen zo te planten dat om de 10 meter inhammen van 10 meter breed en 5 meter diep ontstaan. Zo ontstaat meer variatie in beschutting, zoninstraling en plantengroei, wat de diversiteit in dierenleven ten goede komt. Door de windluwte die in de inhammen ontstaat, kunnen de bloeiende bomen en struiken ook bij sterke windkracht door bijen bezocht worden.

 

Het beheer richt zich op het in stand houden van de mantel en de zoom. In de mantel wordt bosvorming tegen gegaan door hoge bomen te kappen, en worden de struiken zo veel mogelijk met rust gelaten. De zoom beheer je het beste door gefaseerd te maaien, elk deel van de ruigte om de 2 tot 4 jaar maaien. Afvoeren van maaisel is nodig om ruigtes bloemrijk en biodivers te maken.

Foto: landschapsbeheergroningen.nl